Muziek: Lotz Of Music. Pompoen, Amsterdam, 29 januari. Aldaar tot en met zaterdag.

Avantgarde uit de vorige eeuw, in stukken van grote componisten, en avantgarde van de komende eeuw, in die van onszelf. Met die brutale humor kondigde fluitist Mark Lotz het programma van zijn kwartet aan, dat naar de maatstaven van een jazzcafé inderdaad nogal avontuurlijk klok. Maar echt schrikken was het niet, de muziek bleef speels en toegankelijk.

Lotz is vooral bekend geworden met zijn originele en organische fusie van jazz en Cubaanse muziek uit de santería-rituelen. De groep waarmee hij tot en met zaterdag in Pompoen staat brengt een minder exotische, maar even spannende mengvorm, dit keer van swingende jazz, sfeervolle abstractie en elementen uit moderne 'serieuze' composities.

De grote avantgardisten die Lotz bewerkte waren Charles Mingus, Ornette Coleman en Lee Konitz. Die hebben met elkaar en de leden van deze formatie gemeen dat ze ieder op hun eigen manier de geijkte vormen van de blues en de 32-maten-song oprekken of uitbouwen, door delen toe te voegen, het metrum te variëren of de maatstrepen compleet te negeren, en lange notenslingers over het ritme te draperen met accenten op onverwachte plekken. De doorwerking van de melodie staat daarbij centraal, en die aanpak past uitstekend bij de springerige lyriek van de fluitist.

Pianist Marc van Roon heeft een hoogromantische stijl, verwant aan Keith Jarrett, en weet voortdurend sierlijke variaties op de centrale lijn te bedenken, die helder en gedecideerd worden neergezet. Ook hij houdt van ritmische ambiguïteit, voor of achter de beat fraseren, zodat de grooves iets zwevends krijgen.

Er waren dit keer dus geen batá-drums of andere tropische trommels te bekennen, maar Michael Vatcher vormt in zijn eentje eigenlijk een hele percussie-sectie, door het tempo te omspelen met allerlei tegenritmes en kleurrijke figuurtjes. Het is een genot om hem bezig te zien, de ogen strak gericht op de solist, steeds meedenkend en antwoordend, en gelukzalig grijnzend als alles op zijn plek valt. Bassist Eric Surmenian was in al dit gedol met de structuur de onverstoorbare aangever.

De meeste stukken hadden een opgewekt en zangerig karakter, maar af en toe werd er gas teruggenomen voor tempoloze, op de rand van concrete muziek balancerende geluidsschilderingen. Lotz pakte daarvoor een lager dan laag klinkend, uit PVC-buizen opgebouwd fluitgevaarte van ruim een meter lang, waarin een verrassend warme en zoetige stem bleek te schuilen. Soms werden er nog wat samples aan toegevoegd, zodat er een soort geïmproviseerde ambient ontstond: een fantasierijk alternatief voor de conventionele ballad.

Frank van Herk